Het middelbaar beroepsonderwijs (afgekort mbo) is een Nederlandse onderwijsvorm.
Instroom en doorstroom in het Nederlandse MBO.De meeste mbo-opleidingen zoals bouw, techniek, zorg, sociale beroepen, economische beroepen worden gegeven op Regionale Opleidingencentra (roc's). Deze opleidingen vallen onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Groene opleidingen (landbouw-, tuinbouw, bosbouw, voeding, dierenhouderij) worden gegeven op Agrarische Opleidingscentra of aoc's . Deze vallen onder het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarnaast zijn er vakinstellingen; zij verzorgen mbo-opleidingen in één branche (bijvoorbeeld grafische vormgeving). Behalve instellingen bekostigd door een van de ministeries, zijn er ook nog talloze particuliere opleidingsinstituten die erkende mbo-diploma's mogen afgeven.
Mbo-opleidingen worden gegeven op vier verschillende niveaus:
Tot het MBO wordt men toegelaten als men reeds enkele jaren voortgezet onderwijs achter de rug heeft, meestal een vmbo-opleiding of enkele jaren havo of vwo:
In Nederland bestaan er diverse beurzen waar scholieren zich jaarlijks kunnen informeren over vervolgstudies aan het middelbaar beroepsonderwijs. Enkele beurzen zijn onder andere:
Het middelbaar beroepsonderwijs is tot 1990 een niet bestaand fenomeen in de Nederlandse onderwijswereld. Wel bestaat er een groot aantal opleidingen voor de beroepen waar nu de ROC's voor verantwoordelijk zijn, vaak in combinatie met een verwante opleiding op het niveau waar nu het HBO verantwoordelijk is. Dit zijn echter allemaal zelfstandige, op een kleine beroepensector gerichte scholen. Deze scholen zijn ontstaan vanuit de behoefte van beroepsgroepen aan scholing voor de toekomstige beoefenaren van het beroep. Naast de beroepssector waarvoor wordt opgeleid zijn zeker de scholen voor de klassiekere beroepen ook nog gesticht vanuit de verschillende zuilen waarin de Nederlandse samenleving tot ongeveer 1970 opgedeeld was. De scholen worden steeds meer geconfronteerd met de spanning tussen regelgeving ten aanzien van bekostiging door het Rijk enerzijds, en een steeds snellere verandering van de kennis en vaardigheden die in de verschillende beroepen van beginners gevraagd worden anderzijds. Vanuit de politiek wordt ook gezien dat veel kleine scholen moeilijk kunnen inspelen op de maatschappelijke veranderingen. Rond 1985 worden de HBO-opleidingen gefuseerd en eventueel gescheiden van de MBO-opleiding. Rond 1990 worden de MBO-opleidingen gefuseerd. Deze fusies worden in de scholen vaak als gedwongen ervaren, omdat de bekostiging door het rijk het voortbestaan van kleine scholen onmogelijk maakt. In 1996 wordt de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) van kracht, die de in de fusiegolf van 1990 ontstane scholen (om dezelfde reden) tot een nieuwe fusieronde dwingt. De ontstane scholen in het middelbaar beroepsonderwijs heten vanaf dat moment Regionaal opleidingencentrum of ROC. De samengevoegde agrarische scholen (vallend onder het Ministerie van LNV) heten Agrarisch opleidingscentrum of AOC. Het MBO staat in die tijd bekend als BVE (Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie). Inmiddels hoort de volwasseneneducatie niet meer automatisch tot het werkterrein van de regionale opleidingencentra en wordt weer gesproken over de MBO-sector.
bron: Wikipedia